Belevenissen in Amsterdam

Vanaf 2011 wordt begin juli het Science Park Amsterdam Chess Tournament georganiseerd op, u raadt het al, het Science Park in Amsterdam. Sinds het eerste toernooi in 2011 heb ik alleen vorig jaar verstek moeten laten gaan vanwege een slechte vakantieplanning, maar dit jaar was ik (uiteraard) weer van de partij. Het 9-rondig toernooi (met een tijdschema van 90 minuten voor 40 zetten en vervolgens nog een half uur en vanaf het begin van de partij een bijtelling van 30 seconden per zet) wordt gehouden in de grote sportzaal van het Universitair Sportcentrum, waar naast gesport wordt ook tentamens worden gemaakt, zodat ik al menigmaal mijn hersens heb mogen testen in deze zaal. Mijn rating is afgelopen seizoen nogal gedaald en zelfs onder de 1800 terecht gekomen. Daardoor was ik 49e geplaatst in een deelnemersveld van 70 spelers en was mijn doel om eindelijk eens 50% te halen in dit toernooi. Zaterdag 11 juni stond de eerste ronde op het programma, waarin ik met wit mocht aantreden tegen Kees Sterrenburg (1946). Na het openingswoord van toernooidirecteur Aart Strik werden de ruim 100 klokken in de zaal gestart en kon het toernooi beginnen. Komen-Sterrenburg1Voor het toernooi had ik me al voorgenomen om met wit eens van mijn gebaande paden af te wijken en zelfs 1.e4 te openen, maar desondanks speelde ik deze ronde m’n vertrouwde 1.d4, maar wel met een wat degelijkere opzet namelijk met Pf3 en g3. Het was een vrij kalme partij waarin beide spelers rustig manoeuvreerde totdat mijn opponent een pion weggaf. Daarna ging hij vol op de aanval spelen, maar ik kon in deze stelling met g4 en vervolgens h4 zijn paard insluiten. Vervolgens was het nog even zorgen dat alle dreigingen uit de stelling verdwenen, maar zodra dat gelukt was kon ik het eerste punt bijschrijven. Net als in 2011 wist ik dus de eerste ronde van een sterke speler te winnen. Nadat ik m’n archieven doorbladerde bleek dat ik in de vier keer dat ik nu heb deelgenomen nog geen enkele verliespartij heb gehad in de eerste ronde.
In de tweede ronde speelde ik (weer met wit) tegen Dick van der Eijk (1950). Een kleine research leverde op dat hij Siciliaans speelde dus kon ik nu wel eens e4 openen. Tijdens dit seizoen heb ik namelijk al eens 2. b3 voorbereid, maar helaas nog niet kunnen spelen. Dit was zodoende de uitgelezen mogelijkheid om het systeem te testen. Dat ging zowaar erg goed en na de opening kreeg ik een voordelig plusje. Echter speelde ik het middenspel onnauwkeurig en offerde mijn tegenstander prompt een loper tegen twee pionnen. Ik zag de bui van een naderende aanval al hangen dus besloot ik de stoute schoenen aan te trekken en meteen een stuk terug te offeren en zelf ten aanval te gaan. Helaas werd ik wat overmoedig en offerde nog een stuk. Dit was iets te veel van het goede en aangezien ik toch bezig was deed ik ook nog maar een toren cadeau. Daarbij opgemerkt dat ik eigenlijk m’n andere toren offerde, maar dat deze gepend stond, waardoor ik (in tijdnood weliswaar) een onreglementaire zet deed, wat we overigens pas een halve minuut later door hadden… Doordat m’n aanval stokte en het materiaal dat ik ondertussen achterstond zo ver was opgelopen was er geen houden meer aan en kon ik opgeven. In ronde drie kwam ik tegen Kees Brinkers (1981) slecht uit de Franse opening. In het middenspel offerde ik daarom ook maar een pionnetje op zodoende wat tegenspel te krijgen. Dat lukte zowaar ook en er kwam zelfs na 21 zetten een gewonnen stelling op het bord. Alleen werd ik wat overmoedig en dacht eigenlijk dat alle zetten wel zouden winnen, maar ik had niet goed gekeken naar de verdedigende mogelijkheden van mijn opponent. Hij kon het goed verdedigen waarna een ingewikkeld dubbel toren-eindspel ontstond, waarin ik een klein voordeel had. Ik ruilde af naar een enkel toren-eindspel waarbij ik nog een pion won, maar m’n tegenstander een verre vrijpion kreeg. Zelf dacht ik dat dit makkelijk gewonnen zou zijn (en een aantal sterkere schakers waar ik het eindspel achteraf aan liet zien dachten hetzelfde), maar de praktijk bleek weerbarstiger. Wellicht dat ik het niet helemaal goed speelde, maar het bleek erg lastig om m’n eigen vrijpionnen naar voren te dirigeren. Doordat de koning van Brinkers actiever was dan de mijne kon hij rustig afwachten en hoefde eigenlijk weinig te doen dan een beetje heen en weer schuiven. Volgens de computer had ik nog kunnen proberen om een van m’n pionnen op te geven en met m’n koning achter zijn vrijpion aan te gaan, maar ook dit zou uiteindelijk in remise stranden volgens diezelfde engine.
Ook in de vierde ronde kwam ik in het Frans slecht uit de opening. In een scherpe variant tegen Budi Manuri (1918) stond ik min of meer verloren, maar probeerde nog wat tegenspel te creëren waar hij blijkbaar zo onder de indruk door was dat ik weer hoop begon te krijgen op in ieder geval een half punt. Dat had achteraf ook meer mogen wezen, want in tijdnood overzag ik nog een makkelijke winstvariant. In plaats daarvan ontstond een bloedeloos toreneindspel en was ik allang blij dat ik de partij niet had verloren.In ronde vijf haalde ik het b3-systeem weer van stal, maar dit keer speelde m’n tegenstander dit wel goed. Tegen Leo Littel (1868) probeerde ik nog wel een aanval van de grond te krijgen, maar hij wist de lichte stukken af te ruilen en daarna zat er weinig spel meer in. De partij eindigde na 27 zetten door zetherhaling in een remise. Na vijf rondes stond ik dus op 2,5 punt en was ik redelijk tevreden over mijn spel. Weinig foutjes gemaakt en ook nog eens leuke partijen gespeeld. In ronde 6 mocht ik het opnemen tegen Ben van den Bergh (1887). Zoals de trouwe lezer weet heb ik daar vorig jaar op het ASK van gewonnen. Net als vorig jaar had ik zwart, dus heb ik nog eens goed die partij geanalyseerd, maarja dan blijkt maar weer dat dat niet altijd even nuttig is. Van den Bergh opende namelijk niet met de Doorschuifvariant van het Frans, maar met de Konings-Indische aanval (2.d3). In het middenspel leek hij een pion te gaan winnen, maar hij zag mijn verdediging over het hoofd. Daardoor kon ik het centrum pakken en was hij genoodzaakt om twee stukken tegen een toren te geven. Vervolgens wikkelde ik af naar een eindspel met een toren en twee paarden tegen twee torens, waarvan ik dacht dat dat goed speelbaar was voor mij. Dat bleek ook zo te zijn. De zwarte paarden manoeuvreerden veel makkelijker naar de juiste velden dan de witte torens, waardoor ik rustig naar voren kon en op het juiste moment een doorbraak forceren. Toen was er geen houden meer aan voor de witte stelling en streek van den Bergh de vlag. Met een score van 3,5 uit 6 was ik op weg naar een recordscore in Amsterdam, maar voordat dat was bereikt moesten er eerst een aantal hordes worden genomen. De eerste was de Brit Tim Spanton (1957), die een erg vermakelijke wikipediapagina bleek te hebben. Naast deze info bleek er ook een groot aantal partijen van hem online te staan, waardoor ik naar hartenlust kon voorbereiden. Wel was ik weer Komen-Spantonvan plan om e4 te openen, dus keek ik even wat hij deed tegen het Koningsgambiet. Hij bleek een dubieus systeempje te spelen met Lc5 en d5, waar ik een scherpe variant met Dh5 tegenover kon stellen. Zo verging ook de partij, maar hij speelde Le6 wat ik niet had bekeken, dus moest ik in de denktank. Ik won een pion, maar dacht er even te gemakkelijk over. Door de dames te ruilen ontstond er een lastig middenspel waarin ik een grote ontwikkelingsachterstand had. Nadat ik weer wat actiever kwam te staan maakte ik in de diagramstelling de blunder 18. Pd4, waarna zwart in 1 zet kan winnen. Voor het antwoord kunt u beneden de partij naspelen. Na deze slechtste zet van het toernooi volgde de volgende dag de slechtste partij van het toernooi. Wat me allemaal bezielde tegen Bart Feltman (1892) weet ik niet, maar dat mijn zwarte opzet helemaal nergens op sloeg mag duidelijk zijn. En als ik dan ook nog eens de kleine kansjes die in m’n schoot worden geworpen niet aanpak, dan wordt het een heel lastig verhaal. Dan moest het maar in de laatste ronde gebeuren, waardoor ik toch nog op een score van 50% terecht zou komen. Tegen Ridens Bolhuis had ik in 2011 al een keer verloren in Amsterdam, dus was ik nog meer gebrand op een overwinning. Dit keer maar eens geen e4, omdat ik zag dat hij de Aljechin-verdediging weleens speelt, waardoor het b3-systeem niet van de grond kan komen. Na een lastig middenspel waar hij het beste van het spel had ontstond er rond de tijdcontrole een zware -stukken eindspel. Zoals wel vaker (ook dit toernooi) mis ik dan op de 41e zet de beste voortzetting. Daar had ik met 41. De3 remise kunnen afdwingen door eeuwig schaak, maar in plaats daarvan zorgde ik ervoor dat zijn pionnenstelling kon verbeteren. De dames werden geruild en er ontstond een zeer lastig toreneindspel. Iedereen die mij een beetje kent, weet dat dit niet mijn specialiteit is, dus stak ik erg veel tijd in het vinden van het juiste plan. Zelfs na lang analyseren vinden ook de engines het een ingewikkeld eindspel waar het onduidelijk is wat het beste plan is voor wit. Dat komt doordat ik een verre vrijpion op op de h-lijn krijg, maar zwart daar in sommige varianten gewoon z’n toren voor kan geven om vervolgens met zijn eigen pionnen naar voren te komen. Wat wel duidelijk is dat ik in tijdnood de beslissende fout maakte. Ik dacht dat het noodzakelijk was om ons beiden te laten promoveren, waardoor er een dame-eindspel zou ontstaan met voor mij twee pionnen achterstand. Daarin hoopte ik met een hoop schaakjes toch nog een remise binnen te slepen. Wat ik echter gemist had, was dat hij direct na de promotie de dames kon ruilen, waardoor het overgebleven pionneneindspel makkelijk gewonnen was voor zwart. Een jammerlijke en onnodige nederlaag dus, waardoor ik op 3,5 punt bleef steken. Echter door de zware tegenstand heb ik alsnog een TPR van 1849 weten te halen en een paar ratingpunten weten te winnen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.